woensdag 23 januari 2008

Babysitten

Ze sliep toen ik aankwam, maar werd wakker toen haar mama tegen me begon te praten. Slaapoogjes keken even in mijn richting maar vergaten mij meteen meer. Op de arm van mama hoefde ze zich immers geen zorgen te maken over onbekende mensen om haar heen. Dat veranderde nadat mama vertrokken was, zonder afscheid zodat ze het niet meteen zou merken. Tien minuten heeft het geduurd, en dan had ze het door. Haar oogjes keken naar mij en vervolgens de hele kamer rond. Geen mama te zien. Een beetje kreunen, dan komt mama wel, moet ze gedacht hebben. Huilen dan? Nee, mama kwam nog steeds niet.

Rondlopen en spelen wilde ze niet, maar die mobiel die zo mooi muziek maakt, daar wilde ze nog wel onder liggen zonder huilen. Tot hij stopte. Opnieuw opwinden en laten afspelen dus, en haar een zacht roze varkentje in handen geven om op te sabbelen. Dat hielp een hele tijd. Intussen werd ik hoorndol van het saaie babymuziekje, maar liever dat dan een krijsende baby.

Na een half uur was ze het beu en begon ze weer te wroeten en zachtjes te huilen. Spelen op de mat dan maar? Ze zat in haar rubberen stoeltje en sabbelde zo verwoed op de leuning dat ik geregeld met een doekje haar kwijl moest opdeppen. Maar ze had het naar haar zin en leek me te aanvaarden. Als ik met een grote glimlach en lachende ogen dichterbij kwam, begon ze te kraaien en te lachen. Nog eens drie kwartier gingen snel voorbij, want met een lachende baby kan ik me wel amuseren. Maar ze leek moe te worden en begon weer te zagen.

Even op de arm genomen en haar toen maar in haar kussen gelegd, naast een pluchen ster die weer een ander babymuziekje tot vervelens toe bleef spelen. Mijn vervelens, niet dat van haar.

En toen was mama daar weer. Veel vroeger dan verwacht. De blijdschap straalde van haar roze babygezichtje af. En ik ging naar huis, blij dat het zo goed gegaan was, want ik had veel erger gevreesd.

Ik wil er ook zo eentje. Eentje dat blij is als ze mij ziet omdat ik haar mama ben. Eentje om uren naar te kijken, om te knuffelen en te verzorgen. Zo eentje dat "niets anders doet dan bleiten, schijten en slapen", maar ook niets anders hoeft te doen voor mij dan er gewoon te zijn om van te houden.

Roestig maar enthousiast

Schrijven zou een passie moeten zijn.
Ik zei dat ik jeugdboekenschrijfster wilde worden. Vroeger. Tot ik een schrijfcursus volgde en echt begon te schrijven. En ik toen ontdekte dat ik bijzonder goed ben in het beginnen van verhalen, dat ik duizenden eerste bladzijden uit mijn duim kan zuigen, die creatief, leuk, verrassend en veelbelovend zijn, maar dat ik dan een verhaal moet maken, en dat ik daarin geen held ben.

Een geloofwaardig verhaal, met een begin, een midden en een einde, heb ik nog nooit gemaakt. Ik heb al vanalles geprobeerd: gewoon beginnen en zien waar ik kom, de grote lijnen van een verhaal beginnen uitdenken voor ik een letter op papier zet, of de personages eerst creëren en van daaruit een verhaal uitwerken. Het heeft geen zin.

En dus ben ik gestopt met schrijven, een paar jaar geleden al intussen. En ben ik langzaam maar zeker vastgeroest. Het zit niet meer in mijn vingers, en nog minder in mijn hoofd. Mijn droom om te schrijven heb ik min of meer opgegeven, ergens ver weg in een hoekje van mijn ziel gestopt en er een donker wollig dekentje over gedrapeerd. Ik schrijf nu alleen nog maar wat anderen me hebben voorgedaan in een andere taal. Kundig kopiëren. Mijn passie voor taal en voor mijn werk zijn er wel, maar ze zijn niet volledig ontplooid.

En nu begint het weer te kriebelen, dat schrijven. Nog steeds houdt mijn muze haar bek. Heb ik nog geen klein mini-ideetje voor een verhaal. Maar ik beslis, hier en nu, dat ik niet mag vastroesten. Dat ik mijn fantasie niet mag laten opdrogen. Want ook al komen er dan geen hele verhalen, beelden en gedachten heb ik genoeg. Dus ga ik weer schrijven. Vingeroefeningen. Hier, op het net. Om mezelf te verplichten er niet mee op te houden. Leze wie het lezen wil. Of niet. Zolang ik maar schrijf.